Portrettenserie: waar zetten we ons voor in?

Het asielverhaal van Khales: van Aleppo naar Utrecht

Vluchtelingen komen relatief vaak negatief in het nieuws. Hierdoor wordt al snel vergeten dat ook zij die gevlucht zijn ambities hebben, kunnen dromen en graag willen bijdragen aan de samenleving. Zo ook Khales die in 2015 uit Syrië vluchtte – niet wetende waar hij terecht zou komen – in de hoop een nieuw bestaan op te bouwen. We zitten samen onder het genot van een koffie en een stroopwafel (die kennen ze niet in Syrië) in zijn ruime studio. Het valt op hoe goed Khales al Nederlands spreekt. Ondanks dat hij pas zes maanden oefent, spreekt hij het hele interview bijna foutloos Nederlands. Ik spreek met hem over zijn vluchten, zijn ervaringen in Nederland tot dusver en over zijn toekomstplannen.

Khales, kun je je even voorstellen?

“Mijn naam is Khales, ik ben 24 jaar oud en ik ben geboren en getogen in Aleppo.”

Kun je ons vertellen wat de reden is dat je bent gevlucht?

Khales vertelt dat er in 2014 in Syrië een burgeroorlog uitbrak tussen de regering van Assad en de burgers die meer vrijheid wilden. “Iedere jongeman werd opgeroepen om te dienen in het leger van Assad, als je dat weigerde dan werd je in de gevangenis gezet,” vertelt Khales vol afgrijzen. “Omdat ik het niet eens ben met Assad en al helemaal niet in zijn leger wilde dienen, ben ik gevlucht.”

Zou je voor ons willen omschrijven hoe je bent gevlucht?

“Het was echt de moeilijkste beslissing in mijn leven.” begint Khales zuchtend. Op 15 augustus 2015 begon hij zijn reis, niet wetende of hij zijn ouders ooit terug zou zien. “Ik had geen keuze want ik stond op de ‘zwarte lijst’ van de regering. Het was vechten voor Assad of de gevangenis in of nog erger. Het was ook erg gevaarlijk om te vluchten, je kon niet rechtstreeks naar Europa of zo.” Khales begon zijn reis alleen door naar de grens van Turkije te rijden met een bus. “Daar werd ik voor het eerst in mijn leven geconfronteerd met ISIS en Jabat al-Nusra. Op dat moment was ik erg bang omdat ik tattoos heb, en als zij ergens een hekel aan hebben dan is het wel aan tattoos. Gelukkig kon ik de tattoos verbergen en de mannen van al-Nusra overtuigen dat ik me – nadat ik mijn zieke moeder van medicatie had voorzien – hen kwam helpen in de jihad.” Zij geloofden hem en ze lieten hem door. Via de grens kon hij per bus naar Istanbul reizen waar hij – na een maand gewacht te hebben – de kans kreeg om per boot naar het Griekse eiland Mythilini te varen. “Dat was echt doodeng,” herinnert Khales zich. Ze kwamen vast te zitten tussen Izmir en Mytilini omdat onze motor het begaf en de Griekse kustwacht wilde ons niet helpen omdat we nog op Turks gebied voeren. “Ik dacht echt op dat moment dat het mijn laatste dag was, ik dacht dat ik doodging.” Uiteindelijk sleepte de Turkse kustwacht hen terug naar Turkije, juist de plek waar hij zo graag vandaan wilde. “Het koste maar liefst 2000 euro en die kreeg ik niet meer terug.” Gelukkig kreeg ik van de persoon die de bootreis organiseerde nog een kans. “Ja, ik was doodsbang, ik durfde eigenlijk niet meer, maar ik had geen keus.” De tweede poging was het wel raak: “We kwamen aan op Mythilini waar we vervolgens per boot en per bus naar Athene konden.” In Athene aangekomen was de volgende stap Macedonië. “Daar waren ze wat minder aardig voor vluchtelingen, de politie wilden ons daar echt niet hebben.” Via Macedonië reisde Khales naar de grens van Servië waar hij maar liefst vier dagen moest wachten om per trein naar Belgrado te reizen. “Mensen waren zelfs aan het vechten om een plekje te krijgen. Het was echt chaos daar. Uiteindelijk lukte het me om net een plekje te bemachtigen.” Via Belgrado reisde Khales verder naar de grens van Servië en Hongarije waar vluchtelingen werden geweerd door hekken: “Hongarije was wel echt moeilijk, ze hebben een muur gebouwd zodat het niet mogelijk was om naar Hongarije te lopen. Uiteindelijk zijn we via een gegraven tunnel toch Hongarije ingekomen.” Eenmaal in Hongarije was de volgende stap de hoofdstad Boedapest. Via-via regelde Khales een autorit naar Boedapest maar dat verliep niet als gepland: “ik was in de auto in slaap gevallen en werd na een tijdje wakker toen ik ontdekte dat mijn portemonnee was gestolen. De chauffeur deed alsof zijn neus bloedde, maar hij was verantwoordelijk, dat weet ik zeker. Op dat moment zonk de moed me in de schoenen, ik had bijna niets meer.” Maar dat Khales niet voor een gat te vangen is werd al snel duidelijk: “gelukkig had ik mijn paspoort en wat extra geld los in mijn broekzak gepropt, just in case zeg maar.” Hij kwam in Boedapest terecht en kon daar gratis – door een regeling van Angela Merkel – op de trein naar Oostenrijk. “Oostenrijk was echt een verademing, de politie was daar voor het eerst gewoon aardig tegen je. In Wenen kon ik gratis verblijven in een gebouw van het Rode Kruis en ook het eten en drinken was er gratis.” Toch kon Khales geen asiel aanvragen in Oostenrijk, hij moest verder West-Europa in. “Het was best apart, ik wilde eigenlijk heel graag naar Engeland maar eenmaal op het station besloot ik om naar Nederland te gaan.”

Had je in Syrië weleens over Nederland gehoord?

Khales knikt met een glimlach van oor tot oor: “Ja natuurlijk, vooral vanwege het voetbal. Ik ben een echte liefhebber en ken alle spelers. Maar ik kende Nederland ook al vanwege mijn opa en oma, zij waren in de jaren 70 in Amsterdam op vakantie.” Khales vult aan: “en ik wist dat Nederland het land is waar je alles mag zijn, waar vrijheid is.”

Dus je koos ervoor om naar Nederland te gaan. Hoe werd je in Nederland opgevangen?

“Ik wist via internet dat ik naar Ter Apel in Groningen moest gaan om daar asiel aan te vragen. Voordat ik uiteindelijk mijn eerste interview met de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) had, ben ik wel zeven keer verhuisd in zes maanden tijd.” Khales vertelt dat hij uiteindelijk in de Jaarbeurs in Utrecht terechtkwam en daar een Nederlandse familie ontmoette die als een soort tweede gezin voor hem werd. “Deze Utrechtse familie heeft mij met veel dingen geholpen. Ook in het begin ging ik af en toe bij hen eten, langzamerhand kregen we veel meer contact. Toen ik later in Doetinchem was zijn ze zelfs op mijn verjaardag geweest en ik vierde kerst met hen.” Na zes maanden kreeg Khales zijn eerste gesprek met de IND. Hij woonde toen in Doetinchem. 

Hoe was dat eerste gesprek met de IND?

Khales vertelt dat ze hem heel goed behandelden. Het voelde hem niet aan als een streng verhoor of dat ze hem niet geloofden: “ze maakten soms zelfs grapjes met mij en zo, zo was er een voorval dat ik zag dat iemand van de IND driftig aan het typen was terwijl ik helemaal niet vertelde. Er viel een stilte, maar toch type zij heftig door. Ik vroeg: waarom typ je terwijl ik niets zeg? Ze moest hard lachen en vertelde dat ze ook mijn non-verbale communicatie aan het analyseren was.” Een maand na het eerste gesprek kreeg Khales zijn status voor vijf jaar. Op dat moment moest hij helaas van Utrecht verhuizen naar het Overijsselse gehuchtje Ootmarsum waar maar weinig jongeren woonde: “het was niet goed om daar te zijn. Het was in de middle of nowhere. Veel ouderen, en ik hou juist van de stad.” Op aandringen van zijn Utrechtse familie kon hij gelukkig tijdelijk schuilen voor de verveling in hun woning in Utrecht.

Je hebt wel echt een speciale binding met de stad Utrecht?

“Ik was echt heel blij dat ik naar die familie kon in Utrecht. Ik ken daar veel mensen en ik tafeltenniste daar ook al een poosje. Ik voelde me echt onderdeel van de familie daar.” Na vier maanden kreeg Khales uiteindelijk een studio via Vluchtelingenwerk in Utrecht Zuid-West waar hij het erg naar zijn zin heeft. Het is een ruime kamer met moderne meubels en zelfs een televisie en een PlayStation3. Een typische studentenkamer, maar dan net wat luxer.

Waar houd je je nu dagelijks mee bezig?

“Eigenlijk heb ik het nu precies zoals ik het in Syrië had. Ik doe alles wat ik daar ook deed. Ik speel tafeltennis, ben actief met twee theatergroepen en doe zo nu en dan wat vertaalwerk als vrijwilliger.” Na wat doorvragen blijkt dat hij veel meer doet. Khales geeft zo nu en dan presentaties op basisscholen om te vertellen over de gevaarlijke reis uit Syrië naar Nederland en hij doet dat zowel in het Engels als in het Nederlands: “Zes maanden geleden ben ik ook begonnen met de Nederlandse taalschool. Ik wil graag het staatsexamen halen.”

Wat zijn je plannen voor de toekomst?

“Mijn doel is om eerst het staatsexamen te halen. Dat heb ik nodig omdat ik dan aan de Hogeschool van de Kunsten kan studeren. Mijn diploma’s uit Syrië staan gelijk aan een Nederlands havodiploma dus het niveau heb ik zeker.” Khales legt uit dat hij in Syrië van zijn ouders bouwkunde moest studeren, terwijl hij eigenlijk graag de kunstacademie wilde doen: “Ik vind bouwkunde niet interessant, maar ik had niet zo veel keus. Ik wil nu dus mijn Nederlands eerst op academisch niveau krijgen zodat ik straks moeiteloos de kunstacademie kan volgen. Daar ligt mijn hart.” Khales verwacht dat hij daar met een kleine zes maanden klaar voor is. Voorlopig oefent Khales dagelijks Nederlands en is al flink op tournee met zijn Syrische theatergroep. Het zou zomaar kunnen dat we nog veel van deze jongeman gaan horen.

Dit interview werd afgenomen door Anthonie Drenth. 

De onmacht van een vluchteling: van een huis naar de straat

Al twaalf jaar is Thierry* in Nederland. Tien jaar lang bouwde hij een leven in Nederland op, totdat plotseling zijn verblijfsvergunning werd ingetrokken. ‘Ze hebben een crimineel van me gemaakt. Dat doet echt pijn.’

Bloedige oorlog

Thierry komt uit Burundi, waar in de jaren negentig een bloedige oorlog woedde tussen de Hutu’s en de Tutsi’s. In 1994 werden de Tutsi’s massaal vermoord tijdens een genocide. Thierry en zijn familie vluchtten naar omringende landen, waar ze lange tijd in vluchtelingenkampen doorbrachten. Toen hij terugkeerde naar Burundi, bleken de spanningen in het land nog steeds erg hoog. Het was moeilijk om een bestaan op te bouwen. Daarom kwam Thierry in 2003 naar Nederland, waar hij een verblijfsvergunning kreeg.

Op straat

Met zijn verblijfsvergunning kon Thierry een leven in Nederland opbouwen. Hij werkte bij verschillende bedrijven als elektromonteur. Toen kwam echter het moment dat zijn verblijfsvergunning werd ingetrokken: Burundi gold niet langer als onveilig gebied. Thierry kon een tijd bij zijn oom in Harderwijk wonen, maar toen zijn oom overleed stond hij op straat. ‘Toen ben ik naar Utrecht gekomen. Het was december en heel erg koud, het sneeuwde. Gelukkig kon ik vanwege de koudweerregeling binnen slapen. Maar om acht uur ’s morgens stond ik weer op straat. Dan ging ik de hele dag maar lopen, om warm te blijven.’

Samen op een slaapzaal

In één klap zag Thierry’s leven er compleet anders uit. ‘Van een salaris van tweeduizend euro per maand, ging ik naar een leven op straat. Af en toe sliep ik in het Catharijnehuis. Dan lag ik tussen dronken mensen, die vaak heel hard snurkten. Maar als zoiets je overkomt, kun je het alleen maar accepteren. Anders raak je depressief.’

Afrikaanse gezelligheid

Op dit moment heeft Thierry, dankzij een van de organisaties in de stad, weer even een dak boven zijn hoofd. Hij wacht nu af terwijl er een nieuwe procedure opgestart wordt. Want hoewel hij eigenlijk naar Burundi wilde terugkeren na de verkiezingen, is het geweld de laatste maanden weer opgelaaid. Wat hij in de tussentijd vooral mist, is de Afrikaanse gemeenschapscultuur. ‘Mensen in Nederland hebben veel minder contact. Als de kerkdienst afgelopen is, gaat iedereen koffie drinken en dan – bam! – meteen naar huis. Nu ga ik op zondag naar Villa Vrede. Van 11 tot 12 uur gaan we samen eten, en dan om 12 uur samen bidden. En dan nog napraten. Dat is tenminste gezellig!’

*Thierry is een gefingeerde naam.

Sabiet Balwant-Gir: onverbeterlijke wereldverbeteraar

Ooit coördineerde Sabiet de voedselbank in Leidsche Rijn vanuit haar eigen keuken, toen zei haar man: ‘Sabiet, ik weet dat je de wereld wil verbeteren, maar dit werkt niet meer!’ Het is exemplarisch voor de passie en de enorme betrokkenheid van Sabiet Balwant-Gir bij alle mensen die het minder hebben getroffen in ‘haar’ wijk.

Geen pampersysteem

Het wordt ons direct duidelijk waarom Sabiet coördinator is. Ze is heel betrokken en vriendelijk, maar ook zakelijk en confronterend. ‘Ja, ik zeg altijd maar zo: ik geloof niet in het geven van de vis, ik geloof in het geven van de hengel.  Als je mensen zomaar eten blijft geven is dat niet goed, ze moeten wel veranderen, niet in een pampersysteem terechtkomen, daar ben ik echt tegen. Je laat mensen dan niet in hun kracht staan. Die moeten ze juist weer terug zien te vinden.’

Twee tassen met boodschappen

Het begon allemaal met een vraag of ze eens bij een vrouw langs wilde gaan die bijna niets had. ‘Ik kocht twee tassen met boodschappen en ging er langs. Het huis was nagenoeg leeg. Twee kaarsen en een karpet en daar zat zij. Dat had echt impact op mij. Dit gebeurt in Afrika, niet in Nederland. Dit mág hier niet gebeuren! Ik ging naar buiten en moest echt huilen. Zonder gas, water, licht en er was niemand om haar te helpen. Waar is dan onze naastenliefde?’ De ontmoeting met deze vrouw wakkerde iets in Sabiet aan. Van het zelf bezorgen van dozen boodschappen bij mensen die al maanden achterliepen met de huur (in het donker, want de buren mochten niets weten) tot de totstandkoming van de (professionele) voedselbank die het nu is, al die jaren heeft Sabiet de boel gecoördineerd.

Voor dít visje maakt het uit!

Wat is die passie die haar drijft om naast haar drukke baan zoiets te kunnen doen? ‘Als ik ’s avonds dan aan tafel zit en ik zit te eten, denk ik: ik heb eten, maar samen met mij ook heel veel anderen, daar gaat het om!' Ze vertelt een gelijkenis over een jongen die op een strand staat met heel veel spartelende vissen en de jongen gooit telkens een aantal van die vissen terug in zee. Dan vraagt iemand hem: waarom doe je dat nou? Er zijn hier zoveel visjes, wat maakt het nou uit? Dan pakt de jongen één visje en zegt: maar voor dit visje maakt het uit!

Zelfmedelijden helpt niet

Maar ook: ‘een doof echtpaar, dat hier komt en zegt: zullen we even koffiedrinken? Dat moment, dat is zo belangrijk: de dankbaarheid die mensen hebben. Dan kun je miljarden op je bank hebben, maar niets kan op tegen die dankbaarheid.’ Ze hoopt ook iets van haar levensfilosofie door te kunnen geven, ze wil mensen heel graag leren kijken naar wat ze wél hebben in plaats van wat ze niet hebben. Zelfmedelijden helpt niet, dankbaar zijn voor wat je hebt wel!

Naastenliefde

Haar ogen glinsteren als ze vertelt over alle mensen die betrokken zijn bij  het werk voor de voedselbank in Leidsche Rijn: ‘er is hier in de wijk een vorm van naastenliefde die ik nog niet vaak heb gezien.’ Ze vertelt over het pand van de Voedselbank, dat ontzettend smerig was toen het ter beschikking kwam. Kinderen van de Rijnwaardenkerk hebben met hun ouders de hele boel schoongemaakt en geverfd. Mensen willen heel graag helpen, maar er moet wel iemand zijn die het coördineert, merkt ze.

Droom

Als we tot slot vragen naar haar droom voor de voedselbank Leidsche Rijn en voor Utrecht, is ze resoluut: ‘Nou, eigenlijk dat er geen voedselbanken meer nodig zijn! Dit moet je niet willen. Mijn droom is dat iedereen gewoon rond kan komen met zijn geld. Iedereen in Utrecht.’

Rabbijn Aryeh Leib Heintz: Het Joods Monument, een ommekeer in Utrecht?

Wat kan het Joods monument nu precies betekenen voor de stad Utrecht? Rabbijn Aryeh Leib Heintz weet dit treffend te verwoorden: ‘Hopelijk betekent de komst van het monument een ommekeer in de stad Utrecht.’ Onder het genot van een kruidig kopje thee in een huiskamer vol Joodse boeken vertelt hij over deze ‘ommekeer’, de totstandkoming van het monument en zijn hart voor de Utrechtse Joodse gemeenschap. 

Herdenkingsplek

Het is zo’n vijf jaar geleden dat rabbijn Heintz betrokken werd bij de totstandkoming van het Joodse monument in Utrecht. Een kleine groep Utrechters had het initiatief genomen en van daaruit vormde zich al snel een stichtingsbestuur dat zich inzette om een herdenkingsplek te realiseren voor de 1239 weggevoerde Joden. ‘Het heeft een kleine vijf jaar geduurd, tot het monument verwezenlijkt was. Sommige dingen waren in de kiem al bepaald, zoals de keuze voor de kunstenaar Amiran Djanashvili.’ 

Voorbijgaan en zién

Al snel werd besloten hoe het monument eruit zou komen te zien: ‘Heel gauw zei men al dat alle namen erop moesten komen te staan. De kunstenaar heeft gekozen voor de minjan (de tien Joodse mannen die bidden samen) en de sjofar. Hij heeft mijn sjofar gebruikt als model, dat vond ik heel bijzonder.’ De locatie voor het monument bleek moeilijker, zo vertelt de rabbijn: ‘Het moest niet een plaats zijn waar mensen naartoe komen om het te zien, maar het moest een plaats zijn waar men voorbijgaat en ziét. Uiteindelijk werd het monument, zoals je weet, geplaatst bij de ingang van de straat die leidt naar het Spoorwegmuseum, ik vond dat persoonlijk een heel goede plaats.’ 

Een naam adopteren

Uiteindelijk was het na vijf jaar zover: de onthulling van het monument. ‘Een hele stad is samengekomen om de Joden die in de oorlog zijn gedood te herdenken. Het was een heel grote opkomst, dat verraste me niet.’ De Joodse gemeenschap was expres niet betrokken bij de financiering van het monument. Rabbijn Heintz vertelt: ‘De bedoeling was dat de niet-Joodse-Utrechters dit zouden doen voor de Joodse Utrechters, om ze te ‘eren’. Dit is heel breed gedragen. Er waren 1239 namen, en je kon een naam voor 50 euro 'adopteren'. Tijdens de onthulling van het monument heeft voorzitter Wim Rietkerk aangekondigd dat de 1239e naam was geadopteerd. 

Schoenen voor de baby

Tijdens de opening kwam er een vrouw naar de rabbijn toe, die een bijzonder verhaal vertelde over de persoon achter één van de namen op het monument. ‘Ze vertelde over een Joodse man die schoenmaker was en zijn gereedschap bij de familie van de vrouw had achtergelaten. Als hij terugkwam, zou hij een paar schoenen maken voor de baby die ze verwachtten. De vrouw die mij aansprak was de baby van toen. Zij heeft het gereedschap altijd gehouden en op een gegeven moment geschonken aan het Joods Historisch Museum.’ 

Ommekeer voor Utrecht

Volgens rabbijn Aryeh Leib Heintz is Utrecht van oudsher één van de meest antisemitische steden van Nederland. Zo’n 250 jaar geleden was dit de laatste stad waar Joden werden toegestaan en in de Tweede Wereldoorlog was het hoofdkwartier van de NSB in Utrecht. ‘Tegenwoordig is het bestuur van de stad heel goed ten opzichte van Joden. Bepaalde demonstraties tegen Joden die worden gedoogd in andere steden, worden hier verboden. Hopelijk betekent de komst van het monument een ommekeer in de stad Utrecht, een verandering ten opzichte van de geschiedenis.’

Joodse vlam brandende houden

Op de vraag waarom hij ooit besloten heeft te gaan wonen in zo’n  (van oudsher antisemitische) stad, is zijn antwoord duidelijk: 'Ik ben hier om de Joodse vlam in Utrecht brandende te houden. Dat is mijn doel hier, daarom blijf ik hier.' Hij besluit met: 'Ik ben hier eigenlijk voor de Joden in Utrecht, om hun ten dienste te zijn, dat is mijn belangrijkste zaak waarom ik hier nog woon. Eerst was het mijn broodwinning, tegenwoordig kóst het me geld. Het is niet mijn werk, maar wel mijn werken.' 

Martin Minjon: fietsen voor het nageslacht

Het begon allemaal met één foto, van een fiets op de Oudegracht. Nu gaat de Utrechtse Fietsposter van Martin Minjon de hele wereld over en schoof hij onlangs aan bij het Fietsstad Symposium in de Jaarbeurs. ‘Als we hier met z’n allen willen blijven leven, zullen we wel móeten fietsen.’

Schuiven op de zolderkamer

Martin Minjon is niet alleen een gedreven fotograaf; hij is ook een groot liefhebber van muziek. De met lp’s bedekte bakfiets op de Oudegracht, anderhalf jaar geleden, vroeg dan ook om een foto. Het was het begin van een hele serie foto’s van fietsen in de Utrechtse binnenstad. Toen Martin op zijn zolderkamer achter zijn computer zat, zag hij opeens hoe leuk de foto’s contrasteerden. ‘Ik heb zo’n veertig foto’s uitgeprint en ze op mijn bureau gelegd. Vervolgens ben ik twee, drie maanden aan het schuiven geweest tot ik de goede combinatie had.’

Groot succes

Het waren uiteindelijk Engelse vrienden die een beslissende stem hadden in het vervolg. ‘Buitenlanders zijn gek op onze fietscultuur. Mijn vrienden hebben me over de streep getrokken om de poster te laten drukken.’ Met onverwacht groots resultaat: toeristen van over de hele wereld hebben de poster al gekocht. Bovendien hangt de Utrechtse Fietsposter inmiddels in het Stadskantoor, in de Universiteitsbibliotheek en is er zelfs één opgeslagen in het Utrechts Archief. Voor het nageslacht, vertelt Martin trots.

Belangrijk

Ook tijdens het Fietsstad Symposium, dat in oktober in de Jaarbeurs plaatsvond, was er aandacht voor de Utrechtse Fietsposter. Martin lacht: ‘Ik had niet verwacht dat ik ooit zoveel over fietsbeleid zou praten. Maar het is een ontzettend belangrijk onderwerp. Hoewel er de laatste jaren veel voor fietsers gebeurt, is er nog meer mogelijk. Ik zou willen dat er nog meer brede fietspaden komen, en meer goede fietsparkeerplekken. Want als we met z’n allen in deze stad willen blijven leven, zullen we wel móeten fietsen.’

Kokertje

Zelf fietst Martin heel wat af. Hij fietst regelmatig vanuit zijn woonplaats Nieuwegein naar de Utrechtse binnenstad, via de Jutfaseweg. ‘Je hebt eigenlijk geen auto nodig. Zelfs als de VVV me vraagt om weer wat nieuwe posters aan te leveren, pak ik de bus of de fiets. De posters gaan dan gewoon mee in zo’n kokertje. Geen probleem!’