Portrettenserie: waar zetten we ons voor in?

De onmacht van een vluchteling: van een huis naar de straat

Al twaalf jaar is Thierry* in Nederland. Tien jaar lang bouwde hij een leven in Nederland op, totdat plotseling zijn verblijfsvergunning werd ingetrokken. ‘Ze hebben een crimineel van me gemaakt. Dat doet echt pijn.’

Bloedige oorlog

Thierry komt uit Burundi, waar in de jaren negentig een bloedige oorlog woedde tussen de Hutu’s en de Tutsi’s. In 1994 werden de Tutsi’s massaal vermoord tijdens een genocide. Thierry en zijn familie vluchtten naar omringende landen, waar ze lange tijd in vluchtelingenkampen doorbrachten. Toen hij terugkeerde naar Burundi, bleken de spanningen in het land nog steeds erg hoog. Het was moeilijk om een bestaan op te bouwen. Daarom kwam Thierry in 2003 naar Nederland, waar hij een verblijfsvergunning kreeg.

Op straat

Met zijn verblijfsvergunning kon Thierry een leven in Nederland opbouwen. Hij werkte bij verschillende bedrijven als elektromonteur. Toen kwam echter het moment dat zijn verblijfsvergunning werd ingetrokken: Burundi gold niet langer als onveilig gebied. Thierry kon een tijd bij zijn oom in Harderwijk wonen, maar toen zijn oom overleed stond hij op straat. ‘Toen ben ik naar Utrecht gekomen. Het was december en heel erg koud, het sneeuwde. Gelukkig kon ik vanwege de koudweerregeling binnen slapen. Maar om acht uur ’s morgens stond ik weer op straat. Dan ging ik de hele dag maar lopen, om warm te blijven.’

Samen op een slaapzaal

In één klap zag Thierry’s leven er compleet anders uit. ‘Van een salaris van tweeduizend euro per maand, ging ik naar een leven op straat. Af en toe sliep ik in het Catharijnehuis. Dan lag ik tussen dronken mensen, die vaak heel hard snurkten. Maar als zoiets je overkomt, kun je het alleen maar accepteren. Anders raak je depressief.’

Afrikaanse gezelligheid

Op dit moment heeft Thierry, dankzij een van de organisaties in de stad, weer even een dak boven zijn hoofd. Hij wacht nu af terwijl er een nieuwe procedure opgestart wordt. Want hoewel hij eigenlijk naar Burundi wilde terugkeren na de verkiezingen, is het geweld de laatste maanden weer opgelaaid. Wat hij in de tussentijd vooral mist, is de Afrikaanse gemeenschapscultuur. ‘Mensen in Nederland hebben veel minder contact. Als de kerkdienst afgelopen is, gaat iedereen koffie drinken en dan – bam! – meteen naar huis. Nu ga ik op zondag naar Villa Vrede. Van 11 tot 12 uur gaan we samen eten, en dan om 12 uur samen bidden. En dan nog napraten. Dat is tenminste gezellig!’

*Thierry is een gefingeerde naam.

Sabiet Balwant-Gir: onverbeterlijke wereldverbeteraar

Ooit coördineerde Sabiet de voedselbank in Leidsche Rijn vanuit haar eigen keuken, toen zei haar man: ‘Sabiet, ik weet dat je de wereld wil verbeteren, maar dit werkt niet meer!’ Het is exemplarisch voor de passie en de enorme betrokkenheid van Sabiet Balwant-Gir bij alle mensen die het minder hebben getroffen in ‘haar’ wijk.

Geen pampersysteem

Het wordt ons direct duidelijk waarom Sabiet coördinator is. Ze is heel betrokken en vriendelijk, maar ook zakelijk en confronterend. ‘Ja, ik zeg altijd maar zo: ik geloof niet in het geven van de vis, ik geloof in het geven van de hengel.  Als je mensen zomaar eten blijft geven is dat niet goed, ze moeten wel veranderen, niet in een pampersysteem terechtkomen, daar ben ik echt tegen. Je laat mensen dan niet in hun kracht staan. Die moeten ze juist weer terug zien te vinden.’

Twee tassen met boodschappen

Het begon allemaal met een vraag of ze eens bij een vrouw langs wilde gaan die bijna niets had. ‘Ik kocht twee tassen met boodschappen en ging er langs. Het huis was nagenoeg leeg. Twee kaarsen en een karpet en daar zat zij. Dat had echt impact op mij. Dit gebeurt in Afrika, niet in Nederland. Dit mág hier niet gebeuren! Ik ging naar buiten en moest echt huilen. Zonder gas, water, licht en er was niemand om haar te helpen. Waar is dan onze naastenliefde?’ De ontmoeting met deze vrouw wakkerde iets in Sabiet aan. Van het zelf bezorgen van dozen boodschappen bij mensen die al maanden achterliepen met de huur (in het donker, want de buren mochten niets weten) tot de totstandkoming van de (professionele) voedselbank die het nu is, al die jaren heeft Sabiet de boel gecoördineerd.

Voor dít visje maakt het uit!

Wat is die passie die haar drijft om naast haar drukke baan zoiets te kunnen doen? ‘Als ik ’s avonds dan aan tafel zit en ik zit te eten, denk ik: ik heb eten, maar samen met mij ook heel veel anderen, daar gaat het om!' Ze vertelt een gelijkenis over een jongen die op een strand staat met heel veel spartelende vissen en de jongen gooit telkens een aantal van die vissen terug in zee. Dan vraagt iemand hem: waarom doe je dat nou? Er zijn hier zoveel visjes, wat maakt het nou uit? Dan pakt de jongen één visje en zegt: maar voor dit visje maakt het uit!

Zelfmedelijden helpt niet

Maar ook: ‘een doof echtpaar, dat hier komt en zegt: zullen we even koffiedrinken? Dat moment, dat is zo belangrijk: de dankbaarheid die mensen hebben. Dan kun je miljarden op je bank hebben, maar niets kan op tegen die dankbaarheid.’ Ze hoopt ook iets van haar levensfilosofie door te kunnen geven, ze wil mensen heel graag leren kijken naar wat ze wél hebben in plaats van wat ze niet hebben. Zelfmedelijden helpt niet, dankbaar zijn voor wat je hebt wel!

Naastenliefde

Haar ogen glinsteren als ze vertelt over alle mensen die betrokken zijn bij  het werk voor de voedselbank in Leidsche Rijn: ‘er is hier in de wijk een vorm van naastenliefde die ik nog niet vaak heb gezien.’ Ze vertelt over het pand van de Voedselbank, dat ontzettend smerig was toen het ter beschikking kwam. Kinderen van de Rijnwaardenkerk hebben met hun ouders de hele boel schoongemaakt en geverfd. Mensen willen heel graag helpen, maar er moet wel iemand zijn die het coördineert, merkt ze.

Droom

Als we tot slot vragen naar haar droom voor de voedselbank Leidsche Rijn en voor Utrecht, is ze resoluut: ‘Nou, eigenlijk dat er geen voedselbanken meer nodig zijn! Dit moet je niet willen. Mijn droom is dat iedereen gewoon rond kan komen met zijn geld. Iedereen in Utrecht.’

Rabbijn Aryeh Leib Heintz: Het Joods Monument, een ommekeer in Utrecht?

Wat kan het Joods monument nu precies betekenen voor de stad Utrecht? Rabbijn Aryeh Leib Heintz weet dit treffend te verwoorden: ‘Hopelijk betekent de komst van het monument een ommekeer in de stad Utrecht.’ Onder het genot van een kruidig kopje thee in een huiskamer vol Joodse boeken vertelt hij over deze ‘ommekeer’, de totstandkoming van het monument en zijn hart voor de Utrechtse Joodse gemeenschap. 

Herdenkingsplek

Het is zo’n vijf jaar geleden dat rabbijn Heintz betrokken werd bij de totstandkoming van het Joodse monument in Utrecht. Een kleine groep Utrechters had het initiatief genomen en van daaruit vormde zich al snel een stichtingsbestuur dat zich inzette om een herdenkingsplek te realiseren voor de 1239 weggevoerde Joden. ‘Het heeft een kleine vijf jaar geduurd, tot het monument verwezenlijkt was. Sommige dingen waren in de kiem al bepaald, zoals de keuze voor de kunstenaar Amiran Djanashvili.’ 

Voorbijgaan en zién

Al snel werd besloten hoe het monument eruit zou komen te zien: ‘Heel gauw zei men al dat alle namen erop moesten komen te staan. De kunstenaar heeft gekozen voor de minjan (de tien Joodse mannen die bidden samen) en de sjofar. Hij heeft mijn sjofar gebruikt als model, dat vond ik heel bijzonder.’ De locatie voor het monument bleek moeilijker, zo vertelt de rabbijn: ‘Het moest niet een plaats zijn waar mensen naartoe komen om het te zien, maar het moest een plaats zijn waar men voorbijgaat en ziét. Uiteindelijk werd het monument, zoals je weet, geplaatst bij de ingang van de straat die leidt naar het Spoorwegmuseum, ik vond dat persoonlijk een heel goede plaats.’ 

Een naam adopteren

Uiteindelijk was het na vijf jaar zover: de onthulling van het monument. ‘Een hele stad is samengekomen om de Joden die in de oorlog zijn gedood te herdenken. Het was een heel grote opkomst, dat verraste me niet.’ De Joodse gemeenschap was expres niet betrokken bij de financiering van het monument. Rabbijn Heintz vertelt: ‘De bedoeling was dat de niet-Joodse-Utrechters dit zouden doen voor de Joodse Utrechters, om ze te ‘eren’. Dit is heel breed gedragen. Er waren 1239 namen, en je kon een naam voor 50 euro 'adopteren'. Tijdens de onthulling van het monument heeft voorzitter Wim Rietkerk aangekondigd dat de 1239e naam was geadopteerd. 

Schoenen voor de baby

Tijdens de opening kwam er een vrouw naar de rabbijn toe, die een bijzonder verhaal vertelde over de persoon achter één van de namen op het monument. ‘Ze vertelde over een Joodse man die schoenmaker was en zijn gereedschap bij de familie van de vrouw had achtergelaten. Als hij terugkwam, zou hij een paar schoenen maken voor de baby die ze verwachtten. De vrouw die mij aansprak was de baby van toen. Zij heeft het gereedschap altijd gehouden en op een gegeven moment geschonken aan het Joods Historisch Museum.’ 

Ommekeer voor Utrecht

Volgens rabbijn Aryeh Leib Heintz is Utrecht van oudsher één van de meest antisemitische steden van Nederland. Zo’n 250 jaar geleden was dit de laatste stad waar Joden werden toegestaan en in de Tweede Wereldoorlog was het hoofdkwartier van de NSB in Utrecht. ‘Tegenwoordig is het bestuur van de stad heel goed ten opzichte van Joden. Bepaalde demonstraties tegen Joden die worden gedoogd in andere steden, worden hier verboden. Hopelijk betekent de komst van het monument een ommekeer in de stad Utrecht, een verandering ten opzichte van de geschiedenis.’

Joodse vlam brandende houden

Op de vraag waarom hij ooit besloten heeft te gaan wonen in zo’n  (van oudsher antisemitische) stad, is zijn antwoord duidelijk: 'Ik ben hier om de Joodse vlam in Utrecht brandende te houden. Dat is mijn doel hier, daarom blijf ik hier.' Hij besluit met: 'Ik ben hier eigenlijk voor de Joden in Utrecht, om hun ten dienste te zijn, dat is mijn belangrijkste zaak waarom ik hier nog woon. Eerst was het mijn broodwinning, tegenwoordig kóst het me geld. Het is niet mijn werk, maar wel mijn werken.' 

Martin Minjon: fietsen voor het nageslacht

Het begon allemaal met één foto, van een fiets op de Oudegracht. Nu gaat de Utrechtse Fietsposter van Martin Minjon de hele wereld over en schoof hij onlangs aan bij het Fietsstad Symposium in de Jaarbeurs. ‘Als we hier met z’n allen willen blijven leven, zullen we wel móeten fietsen.’

Schuiven op de zolderkamer

Martin Minjon is niet alleen een gedreven fotograaf; hij is ook een groot liefhebber van muziek. De met lp’s bedekte bakfiets op de Oudegracht, anderhalf jaar geleden, vroeg dan ook om een foto. Het was het begin van een hele serie foto’s van fietsen in de Utrechtse binnenstad. Toen Martin op zijn zolderkamer achter zijn computer zat, zag hij opeens hoe leuk de foto’s contrasteerden. ‘Ik heb zo’n veertig foto’s uitgeprint en ze op mijn bureau gelegd. Vervolgens ben ik twee, drie maanden aan het schuiven geweest tot ik de goede combinatie had.’

Groot succes

Het waren uiteindelijk Engelse vrienden die een beslissende stem hadden in het vervolg. ‘Buitenlanders zijn gek op onze fietscultuur. Mijn vrienden hebben me over de streep getrokken om de poster te laten drukken.’ Met onverwacht groots resultaat: toeristen van over de hele wereld hebben de poster al gekocht. Bovendien hangt de Utrechtse Fietsposter inmiddels in het Stadskantoor, in de Universiteitsbibliotheek en is er zelfs één opgeslagen in het Utrechts Archief. Voor het nageslacht, vertelt Martin trots.

Belangrijk

Ook tijdens het Fietsstad Symposium, dat in oktober in de Jaarbeurs plaatsvond, was er aandacht voor de Utrechtse Fietsposter. Martin lacht: ‘Ik had niet verwacht dat ik ooit zoveel over fietsbeleid zou praten. Maar het is een ontzettend belangrijk onderwerp. Hoewel er de laatste jaren veel voor fietsers gebeurt, is er nog meer mogelijk. Ik zou willen dat er nog meer brede fietspaden komen, en meer goede fietsparkeerplekken. Want als we met z’n allen in deze stad willen blijven leven, zullen we wel móeten fietsen.’

Kokertje

Zelf fietst Martin heel wat af. Hij fietst regelmatig vanuit zijn woonplaats Nieuwegein naar de Utrechtse binnenstad, via de Jutfaseweg. ‘Je hebt eigenlijk geen auto nodig. Zelfs als de VVV me vraagt om weer wat nieuwe posters aan te leveren, pak ik de bus of de fiets. De posters gaan dan gewoon mee in zo’n kokertje. Geen probleem!’